Onderzoek IKNL-Universiteit Twente: verdere aandacht nodig voor passende inzet van genprofieltesten bij borstkanker

2026-06-12T16:02:37+00:0012 jun 2026|

Nieuw onderzoek van IKNL en Universiteit Twente laat zien dat genprofieltesten (GEP) bij een specifieke groep patiënten met een hormoongevoelige borstkanker nog niet altijd worden ingezet wanneer zij volgens de richtlijn hiervoor in aanmerking komen. De resultaten onderstrepen het belang van blijvende aandacht voor een zorgvuldige en passende toepassing van deze testen binnen de borstkankerzorg.

Geselecteerde groep patiënten

Genprofieltesten worden in Nederland gebruikt bij een geselecteerde groep patiënten met hormoongevoelige borstkanker, bij vrouwen boven de 50 jaar met specifieke tumorkenmerken. De test ondersteunt arts en patiënt bij de gezamenlijke afweging of chemotherapie naar verwachting voldoende meerwaarde heeft naast een antihormonale behandeling.

Cijfers vragen om nuance

Uit het onderzoek van het IKNL blijkt dat het gebruik van genprofieltesten is toegenomen sinds vergoeding hiervoor beschikbaar is gekomen. Dat is een positieve ontwikkeling. Tegelijkertijd ontving een aanzienlijk deel van de patiënten die volgens de criteria in aanmerking kwam geen genprofieltest.
Deze cijfers vragen echter om nuance. Het is niet zo dat alle patiënten die geen genprofieltest kregen, deze test ook daadwerkelijk nodig hadden. Bijvoorbeeld als de patiënt samen met de arts besloten heeft geen chemotherapie te geven, op basis andere klinische kenmerken (zoals andere gezondheidsproblemen) of omdat dit de wens van de patiënt is. In dergelijke situaties draagt een genprofieltest niet altijd bij aan hulp bij de besluitvorming.
Wel laat het onderzoek zien dat van de patiënten die volgens de criteria voor een genprofieltest in aanmerking kwamen maar deze niet kregen, ruim de helft uiteindelijk wel behandeld werd met chemotherapie. Het is denkbaar dat een deel van deze patiënten mogelijk van chemotherapie had kunnen afzien wanneer een genprofieltest was ingezet. Op basis van de huidige gegevens kan echter niet worden vastgesteld in hoeveel gevallen dit daadwerkelijk zo zou zijn geweest.
De onderzoekers wijzen erop dat de redenen voor het niet inzetten van een genprofieltest nader onderzocht moeten worden. Daarbij kan worden gekeken naar de interpretatie van richtlijnen, het gebruik van andere hulpmiddelen voor besluitvorming zoals voorspellingsmodellen, en mogelijke regionale verschillen in beleid en praktijk.

Zorgvuldige afweging samen met arts

NABON vindt het belangrijk dat patiënten die volgens de richtlijn voor een genprofieltest in aanmerking komen toegang hebben tot een zorgvuldige afweging over het gebruik ervan samen met hun behandelend arts. Het doel is niet om het aantal genprofieltesten zo veel mogelijk te verhogen, maar om ervoor te zorgen dat de juiste patiënt op het juiste moment de juiste diagnostiek krijgt. Alleen dan kan optimaal worden bijgedragen aan passende zorg en het voorkomen van onnodige behandeling.

Vervolgonderzoek

De resultaten van dit onderzoek bieden aanleiding om de huidige praktijk verder te evalueren en eventuele belemmeringen voor passende toepassing van genprofieltesten beter in kaart te brengen. Hiervoor wordt dan ook vervolgonderzoek ingezet, met subsidie van ZonMW.

Meer info:

Nieuwsbericht IKNL 12 juni 2026

Wetenschappelijk artikel International Journal of Cancer

Ga naar de bovenkant